LIVE or LET DIE
21Sep10
Inleiding van gewezen minister van media ERIC VAN ROMPUY op het boek “ LIVE OR LET DIE ” van CARL DECALUWE over de toekomst van de VRT.
Als een jong parlementslid mij als fractieleider vroeg hoe hij/zij een goed parlementslid kon worden , antwoordde ik steevast met de raad: “specialiseer u in een thema, wees altijd aanwezig in de Commissies en in de plenaire vergadering en durf stellingen innemen. Steek uw nek uit, debateer en schuw de confrontatie niet, zelfs met uw eigen fractie.”
Niemand heeft die raad beter opgevolgd dan Carl Decaluwé. In zijn boek “Live or let die” noemt hij mij zijn coach maar als coach zeg ik dat hij niet te coachen is : eens op het speelveld stormt Decaluwé op zijn doel af en is tactiek niet aan hem besteed! In het Vlaams parlement is hij vaak zoals de jager uit Kurpfalz “ die rijdt al door het groene woud en schiet het wild omheen gelijk het hem bevalt”.
Achter deze stormram schuilt echter een groot dossiervreter die geduldig en met kennis van zaken zijn stellingen onderbouwt. Dit boek is hier het beste bewijs van. Het biedt een merkwaardig inzicht in het beleid van de openbare omroep van de laatste 15 jaar en belicht dit vanuit het standpunt van het Vlaams Parlement waarbij de Commissie media een bepalende rol heeft gespeeld in het mediabeleid in Vlaanderen.
Carl Decaluwé heeft mij in 1995 opgevolgd als CVP-woordvoerder media toen ik mediaminister werd. Hij heeft er in sterke mate toe bijgedragen dat de Commissie media is uitgegroeid tot één van de invloedrijkste en boeiendse Commissies in het Vlaams Parlement en waar- dit mag ook worden gezegd- de decibels fors toenemen als Decaluwé het woord neemt ook zonder micro.
Ook in de jaren 1985-1995 was de Commissie media een belangrijke speler in het mediabeleid en ik denk hierbij aan de debatten over het kabeldecreet ( dat de invoering van commerciële televisie in Vlaanderen mogelijk maakte) , de decreten op de lokale radio, de regionale televisie , de radioreclame en commerciële sponsering op de BRT, het verbod op kinderreclame, enz. Meestal gingen de initiatieven uit van parlementsleden en speelde het Vlaams Parlement voluit zijn rol als decreetgever.
De Commissie media heeft steeds erg geëngageerde parlementsleden aangetrokken. Ik heb nog commissievergaderingen meegemaakt met Luc Vandenbossche, Nelly Maes, Patrick Dewael, André Denijs, Dirk Van Mechelen, Pierre Chevalier, Marino Keulen en Jos Geysels. In 1995 kwamen daar Carl Decaluwé bij, Thuur Van Wallendael, Marijke Dillen en Kris Van Dijck.
Dit boek geeft de debatten weer in de periode 1995 tot vandaag. Het is dank zij het Vlaams parlement dat de openbare omroep langs het mini-decreet en het maxi-decreet de kans kreeg om zich te hervormen tot de VRT van vandaag. In 1995 had de toenmalige BRTN een martaandeel van 22,5% ; sindsdien is dit verdubbeld en in juli 2010 zelfs gestegen boven de 50% .In al die jaren is er geen discussie geweest over de missie van de openbare omroep die is bepaald in het minidecreet van 1996 en door nagenoeg alle fracties in de Commissie media werd onderschreven over meerderheid en oppositie heen.
De politiek zette in de jaren negentig een stap terug en gaf de VRT de ruimte om zich te reorganiseren, los te komen van een partijpolitieke beknelling en zich bedrijfsmatig te herstructuren als een modern en performant overheidsbedrijf.
Toen Decaluwé mij in 1997 bij de bespreking van het maxi-decreet vroeg of het Vlaams Parlement nog een controletaak had, antwoordde ik hem: “het Parlement kan ten alle tijde de voogdijminister interpelleren indien verkeerd beleid wordt gevoerd en als de VRT zich niet houdt aan de beheersovereenkomsten of de mediadecreten”.
Decaluwé heeft dit goed in zijn oren geknoopt en dit boek is hier in grote mate de weergave van.
Hij is het Vlaams Parlementslid geweest dat het meest heeft geijverd voor een grotere transparantie en een efficiënter beheer van de VRT. Decaluwé stelde vragen, vroeg documenten en cijfers op, schakelde het Rekenhof in en schuwde de confrontatie met de opeenvolgende mediaministers niet.
Zo vestigde Decaluwé al in 2002 de aandacht op de verslechterende financiële toestand van de VRT en voorspelde als eerste een gecumuleerd tekort van 60 à 70 miljoen euro in 2011. Hij wees op de overdreven kostprijs van consultancy, sportrechten en reclamecampagnes en vroeg inzage in het exclusitiviteitscontracten van productiehuizen. Hij speurde naar de schemerzones tussen de openbare functie en de commerciële activiteiten van de VRT, de rol van de VAR en verwevenheid met de krantengroepen, de lancering van Sporza als tijdelijke sportzender.
In zijn boek gaat Decaluwé hier uitvoerig op in en bewijst dat hij hiermee zijn controlerende taak als parlementslid met verve heeft vervuld. In de media en bij de VRT wordt hij hiervoor vaak ingedeeld in het “anti-VRT kamp” en wordt hem “VRT-baschen” verweten maar ik kan getuigen dat dit boek het tegendeel aantoont. De publieke omroep moet een voorbeeld zijn van transparantie en goed beheer vermits het hier gaat om publieke middelen (lees belastinggeld). De VRT ontvangt elk jaar 300 miljoen overheidsdotatie en heeft een enorme autonomie bij het invullen van haar opdracht maar het vraagt van de publieke omroep openheid, doorzichtigheid en een goed bestuur. Al te vaak wordt transparantie ontweken door zich te verschuilen achter het zgn. bedrijfsgeheim maar dit is meestal een drogreden. Decaluwé heeft dit vaak na heel wat speurwerk ontmaskerd. Het maakte hem niet populair bij de VRT-leiding.
Ook ik heb met Decaluwé als mediaminister eens gebotst en zijn boek geeft mij na 12 jaar eerherstel. In 1998 nam Carl samen met Jos Geysels, Van Wallendael, Van Mechelen en Van Dijck het inititief om SPOT te ondersteunen: Stop Publiciteit Op Televisie en Radio. Ze wilden een einde maken aan de gemengde financiering van de omroep. Ik heb er mij toen fel tegen verzet en als enige blijven pleiten voor de gemengde financiering omdat ik ervan overtuigd was dat de VRT vanuit overheidsdotaties nooit de middelen zou krijgen om zijn dynamiek te financieren. Achteraf moest mijn opvolger als mediaminister en mede-SPOTTER Dirk Van Mechelen mij gelijk geven. Het is een interessante passage in het boek dat mij als inleider niet is ontgaan…
Ontluisterend in “Live or let live” zijn de hoofstukken over de ontslagen van de gedelegeerd bestuurders Mary en Wauters. Decaluwé gaf Bert De Graeve in het Vlaams Parlement vlak voor zijn vertrek 8 op 10 maar die grote onderscheiding was niet weggelegd voor zijn opvolgers. Het bestuursmodel van de VRT is slechts werkzaam als er een vertrouwensband bestaat tussen de gedelegeerd bestuurder, de Raad van Bestuur en de mediaminister. Als die driehoek niet functioneert gaat het fout. Onvermijdelijk leidt dit tot interpellaties in het Vlaams parlement en is politisering onvermijdelijk.
Decaluwé spreekt van het “onbegrensd lefgozen “ van het duo Mary- Van Hecke en schetst tot in de details alle evenementen die finaal hebben geleid tot het ontslag van Mary. Deze “soap” is niet voor herhaling vatbaar zoniet dreigt de VRT opnieuw terecht te komen in de bestuursloosheid van de vroegere BRT waar politici zich geroepen voelen om het heft weer in handen te nemen.
Ook het ontslag van Wauters roept vragen op. Decaluwé beschrijft in zijn boek dat hij het nieuws van zijn ontslag vernam in Oekraïne en “ ik had het er moeilijk mee”. Waar Mary overdreven daad-en praatkracht werd verweten kreeg Wauters de bons omdat hij onvoldoende daadkrachtig was en niet kon communiceren. Decaluwé ontwaart bij dit ontslag de hand van de voorzitter van de Raad van Bestuur, Guy Peeters, die volgens hem handelde vanuit partijpolitieke motieven maar anderzijds blijkt uit het boek dat de Minister-President hier helemaal achterstond en al lang van plan was om Dirk Wauters te ontslaan wegens “onbekwaamheid”. Aan de lezer na te gaan wat de juiste toedracht is . Decaluwé legt ook hier alle elementen op tafel.
Ik raad de nieuwe gedelegeerd bestuurder Sandra De Preter aan dit boek grondig te lezen en er de nodige lessen uit te trekken; een gedelegeerd bestuurder heeft veel macht maar moet daar oordeelkundig mee omgaan en rekening houden met de andere publieke spelers zoals de Raad van Bestuur, de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement. Het runnen van een publiek bedrijf vraagt specifieke vaardigheden. Ook de Vlaamse Regering is met dit boek gewaarschuwd want een derde “miscasting” in de keuze van zijn gedelegeerd bestuurder kan de VRT zich niet permitteren.
In zijn slothoofdstukken gaat de auteur in op zijn toekomstvisie over de openbare omroep. Zonder de pretentie te hebben van “Madame Soleil” ontwikkelt hij de controversiële stelling dat de generalistische televisieomroepen- de familiezenders zoals VRT en VTM- weinig of geen toekomst hebben. Hij verwacht een toenemende individuele mediabeleving waarbij de consument zelf kiest waar, wanneer en hoe hij zich zal informeren en entertainen met audiovisuele media. Prime time verdwijnt en de mediaconsumptie zal gebruik maken van nieuwe technische mogelijkheden als PC, GSM en digitale televisie met programmatiemogelijkheden op het eigen gekozen moment en met zelf gekozen inhoud. Volgens Decaluwé zullen binnen 10 à 15 jaar de traditionele omroepen hierdoor zelfs verdwijnen. Enkel de distributeurs en de productiehuizen zullen overeind blijven. De VRT moet daarom van “public broadcast” evolueren naar “public content”. De openbare omroep wordt dan herleid tot een leverancier van content aan andere mediadragers maar zal zich als omroep niet kunnen handhaven. Binnen dit toekomstperspectief zal de VRT een finale opdeling kennen in enkele gespecialiseerde productiehuizen en zich moeten toeleggen op het nieuws-en informatievlak om nog beroep te kunnen doen op publieke financiering.
Persoonlijk deel ik deze mening niet. In de VS is de technolgische en maatschappelijke evolutie inzake mediaconsumptie veel verder gevorderd dan hier en zijn er al jaren honderden digitale kanalen maar de BIG THREE ( NBC,CBS en ABC) halen in prime time nog steeds meer dan 70% van de kijkers. Hetzelfde geldt voor het VK waar BBC en ITV nog steeds een dominerende positie innemen. In Vlaanderen hebben VRT en VTM met hun 4 kanalen een marktaandeel van meer dan 85%; de kijkcijfers van de overige 30 kanalen in Vlaanderen zijn minimaal. Ook de kranten gingen verdwijnen met de opkomst van het internet maar de traditionele dagbladen hebben zich uitstekend gehandhaafd. Daarom ben ik optimistisch over de toekomst van de generalistische zenders met een brede programmatie en blijft de mission statement van het mini-decreet van 1996 voor de VRT actueel. De VRT als omroep haalt zeker 2020.
Decaluwé heeft wel gelijk met zijn stelling: “content is the king” en zeker “ local content” .Wie de media-inhoud heeft of maakt , staat sterk . Daarom moet de VRT zelf blijven instaan ( “in huis”) voor de meerderheid van haar producties, blijven investeren in innovatie en creatief personeel en moet ze met kwaliteitsniveau het verschil blijven maken.
De VRT moet zich voorbereiden op de nieuwe omwentelingen in het medialandschap maar heeft alle troeven om in Vlaanderen te blijven evolueren als de toonaangevende zender en de betrouwbare en kwalitatieve bondgenoot.
Het Vlaams Parlement kan hierbij een belangrijke rol spelen en een boek als dit van Decaluwé “Live or let die” bewijst dat er bij de Vlaamse Parlementsleden steeds de wil en inzet was en is om van de VRT een zender te blijven maken die een onvervangbare rol speelt in onze democratische en pluralistische Vlaamse samenleving. Toen ik 15 jaar terug als mediaminster samen met het Vlaams Parlement de VRT nieuwe kansen gaf was dit mijn grote ambitie .De lectuur van dit boek heeft mij in die overtuiging bevestigd. En als “coach” wens ik Carl hiervoor te feliciteren.
ERIC VAN ROMPUY