05Sep10
Eric Van Rompuy werd geïnterviewd op de Gordel voor De Zevende Dag. Klik hieronder om de video te bekijken.
http://www.deredactie.be/permalink/1.857009
Eric Van Rompuy Gordelt met ‘ik hou van alle zes’ op T-shirt
Verscheidene Vlaamse politici, die aan de Gordel deelnamen, droegen T-shirts met sprekende BHV-titels. De Lennikse burgemeester Willy De Waele hield het bij ‘splits BHV nu’. Zijn collega uit Gooik Michel Doomst was met ‘bijna Halle-Vilvoorde’ (BHV) iets origineler. Vlaams parlementslid Eric Van Rompuy (CD&V), die jarenlang met ‘splits nu’ op het T-shirt reed, droeg thans net als vorig jaar een shirt met ‘ik hou van alle zes’ op, een slogan die de originele kernboodschap weergeeft van de Gordel.
‘Ik had natuurlijk liever deelgenomen met ‘gesplitst’ op het truitje, maar het heeft niet mogen zijn. We waren nochtans dicht bij een akkoord. De Franstaligen stelden zich tijdens de onderhandelingen over BHV heel gematigd op en vroegen niet langer de uitbreiding van Brussel, het inschrijvingsrecht buiten de zes faciliteitengemeenten of wijzigingen aan de Vlaamse voogdij over de faciliteitengemeenten. De toepassing van de omzendbrief-Peeters zou worden beperkt. Het is zoals bekend uiteindelijk afgebroken op de financieringswet’, aldus Van Rompuy.
Van Rompuy hoopt dat de splitsing er nog dit jaar komt. ‘Ik heb vandaag tijdens de Gordel bij velen een zekere ‘splitsingsmoeheid’ vastgesteld. De mensen willen nu dat het er wel echt van komt, want de politici,die ervoor pleiten, worden anders ongeloofwaardig. Het gevaar is nu dat men weer vanaf nul zal vertrekken zoals de Franstaligen willen. Als men er dan de MR nog bij gaat betrekken,zitten we helemaal op het punt van zes maanden terug’.
16Aug10
Senator Rik Torfs wil het debat aangaan over de centrale boodschap van het christelijke personalisme.Chris Taes schreef hierover tijdens het verlof een interessante bijdrage die ik op mijn dagboek publiceer omdat ik zijn analyse helemaal deel en hij hierin de kern weergeeft van het sociaal personalisme.
Chris Taes ( geboren in 1955) is thans burgemeester van Kortenberg en was in de jaren negentig nationaal secretaris van de CVP. Bij de CVP-Jongeren was hij hoofdredacteur van Radikaal.
“Kwaliteit” als dynamisch christendemocratisch kernbegrip
Toen ik als jonge twintiger, mee gedragen vanuit een familiaal politiek engagement, samen met enkele medestanders besloot in onze gemeente een jongerenafdeling van de Vlaamse christendemocraten op te richten, deed dat in mijn professionele omgeving flink wat wenkbrauwen fronsen. Als germanist was ik leraar in een vrije secundaire school in het Leuvense en heel wat van mijn collega’s-leeftijdsgenoten hadden hun opleiding gekregen in de nadagen van mei ’68. Je was pas kritisch – en dus intellectueel – als je virulent inging tegen the powers that be . Je associëren met een establishmentpartij als de christendemocraten stond ongeveer gelijk met intellectueel hoogverraad.
Gelukkig waren er in die periode enkele collega’s die de moeite deden hierover met mij in discussie te treden en me hierover kritisch te bevragen. Het zette me ertoe aan mijn inzichten en uitgangspunten – ook voor mezelf – zo duidelijk mogelijk te definiëren en te bewijzen dat mijn politiek engagement niet zomaar een genetisch bepaalde reflex was, maar dat ik ook zelf wel kon verantwoorden waarom ik voor een doctrine met een welbepaald mens- en maatschappijmodel koos.
De koppeling tussen ‘individu’ en ‘samenleving’ heeft me in de christendemocratie altijd sterk aangesproken. Het sociaal personalisme, de doctrine die uitgaat van de uniciteit (of het unieke karakter) van elke menselijke persoon en die dit fundamentele respect voor ieders eigenheid koppelt aan het onontwijkbare ethische appel van de ‘blik van de ander’, leek me een model te zijn dat de moeite was om na te streven. Zoeken naar convergentie, harmonie en eensgezindsheid eerder dan de nadruk te leggen op onoverbrugbare verschillen, extremisme en tweedracht, was een methode die ook in ons gezin, op school en in het vrijwilligerswerk haar waarde conitnu bewees en die me daarom ook op maatschappelijk niveau aangewezen leek.
Toen ik nadien woordvoerder werd van de eerste minister-president van de Vlaamse regering, Gaston Geens, ontdekte ik in hem een zielsverwant op ideologisch vlak, hoe zeer onze opleiding en onze achtergrond ook verschilden. Zijn derde industriële revolutie, met Flanders Technology International als vlaggenschp, was een mix van individueel voluntarisme en collectieve verantwoordelijkheidszin, van persoonlijke creativiteit en maatschappelijke bewogenheid. Geens streefde ernaar het beste en het competitiefste in wetenschap, technologie en economie te stimuleren, maar richtte dat specifiek op sociaal-relevante sectoren zoals micro-elektronica, biotechnologie en nieuwe (composiet)materialen. Zijn relanceplan voor Vlaanderen was niet zomaar een mix van financiële en fiscale stimuli, maar een doelbewuste en zeer gerichte impulsstrategie om de specifieke troeven van Vlaanderen en de Vlamingen te laten renderen in een sociaal perspectief.
Gaston Geens heeft zich nooit laten bijstaan door spindoctors of marketinggoeroes, maar zijn analyse klopte wel perfect in de moedeloze tijdgeest van midden de jaren tachtig van vorige eeuw. Hoe gevaarlijk zijn politieke tegenstrevers de aantrekkelijkheid en het optimisme van ‘Flanders Technology International’ vonden, wordt geïllustreerd door talloze botte kritieken die door zowel socialisten als liberalen op zijn geestelijk troetelkind werden afgevuurd.
In diezelfde periode ontwikkelden we met de toenmalige CVP-Jongeren een politiek manifest, het “Grondstroommanifest”, dat de noodzaak beklemtoonde om zowel met de prioriteiten die door de ‘nationale’ politiek werden vooropgesteld, als met onze lokale politieke actie, veel meer aan te sluiten bij de ‘grondstroom’ (mainstream) van wat in Vlaanderen leefde aan ambitie, hoop, vrees en verlangen. In dat ‘Grondstroommanifest’ werd het belang aangstipt van een ideologische duiding, een inhoudelijke fundering van onze dagelijke politieke praktijk. Ook – en vooral – als moeilijke maatregelen moeten worden getroffen, is het essentieel dat politici uitleggen en motiveren waarom – en vanuit welk mens- en maatschappijbeeld – ze bepaalde opties (moeten) nemen.
Toen ik in augustus 1995 algemeen partijsecretaris van de Vlaamse christendemocraten werd, stonden we meteen voor een grote organisatorische uitdaging: in december van datzelfde jaar zou de christendemocratie in Vlaanderen (en in België) haar vijftigste verjaardag vieren. Dat vergde niet alleen een terugblik op de founding fathers en op een hele reeks politieke verwezenlijkingen, maar vooral ook een helder discours over de toekomst (de volgende 50 jaar) van de beweging. Bij de voorbereiding van het jubileumcongres voelden alle politieke verantwoordelijken de behoefte om de aloude en beproefde ideologische principes te enten op de nieuwe maatschappelijke tijd. In 1998 werd een ideologisch congres in Leuven gehouden onder de slogan “Mensen maken het verschil” en in 2001 werd de vernieuwingsoperatie in Kortrijk gematerialiseerd in een naamsverandering: de oude CVP vervelde tot CD&V.
Ideologische discussies boeien de publieke opinie helemaal niet en je kan er ook geen grote achterban mee mobiliseren of rechtstreeks verkiezingen mee winnen. Maar toch is een duidelijke ideologische lijn van groot belang voor de interne coherentie van een politieke beweging, voor de continuïteit van denken en doen, voor de evaluatie van voorstellen en prioriteiten, voor de betrouwbaarheid, de consistentie en de geloofwaardigheid van een politieke boodschap.
Aan de toog van het stamcafé een boom opzetten over sociaal personalisme, met referenties naar Mounier, Lévinas en Schuman, levert wellicht niet meer op dan ontwijkend geknik, een verveelde geeuw of schaars gezelschap. Aan diezelfde toog luisteren naar het verhaal van een vader die op school geen begrip vindt voor zijn kind van 11 dat ASS heeft en antwoorden dat je met de directeur in kwestie contact zal opnemen om het probleem onder de aandacht te brengen omdat voor jou, vanuit jouw visie op mens en maatschappij, “elke mens telt”, zal wel voor aandacht en interesse zorgen. Twee maal gaat het over ideologie. De eerste keer in termen van abstracte principes. De tweede keer als ‘toegepaste politiek’.
M.i. is één van de belangrijkste redenen waarom de ideologische profilering van de politieke partijen in ons land (en ook in een bredere context) zo onduidelijk is geworden, dat de traditionele politieke stromingen (christendemocratie, sociaaldemocratie, liberalisme, ecologie, nationalisme, …) nog steeds refereren aan een rigide, eenzijdige en vals-exclusieve utopie. Iedere partij erkent wel in zekere mate de rol van het individu, van de collectiviteit, van de natuur en van de eigen volksgemeenschap. Het claimen van de éénpoligheid van een wereldbeeld of van de exclusiviteit op één maatschappelijk deelaspect is zowel ongeloofwaardig als voorbijgestreefd.
In onze westerse samenleving wordt geen strijd op leven en dood meer gevoerd tussen de rechten van het individu en de plichten van de collectiviteit. In de ene context zullen mensen terecht vinden dat het individu moet primeren. In het andere geval zullen ze even terecht een beroep willen doen op de solidariteit van de samenleving als groep. De tijd dat alleen de liberalen opkwamen voor de zelfstandigen en alleen de socialisten voor de ‘kleine man’, is lang voorbij.
Het statische wereldbeeld van de 19de en de 20ste eeuw moet plaats maken voor een dynamisch wereldbeeld in de 21ste eeuw. Geen mens hecht nog geloof aan de belofte van het communistische (collectivistische) paradijs of van het kapitalistische luilekkerland dat tot stand komt als de vrijemarkteconomie zich ongebreideld ontwikkelt. Mensen ‘binden’ zich niet levenslang aan een merk of maken zich niet levenslang de nederige dienaar van een statische ideologie. Ze evolueren, maken nieuwe keuzes, veranderen van mening, leggen andere accenten.
Het politieke discours moet hierop inspelen en kan dat m.i. ook zonder de ideologische fundering uit het oog te verliezen.
Yves Leterme heeft, toen hij nog partijvoorzitter was, deze belangrijke modal shift begrepen en heeft de focus van de Vlaamse christendemocraten veranderd van een statische utopie naar een dynamische waarde. Van “sociaal personalisme” naar “respect”. De bron van beide begrippen was dezelfde. De tijdgeest en de visie die er achter schuilgingen verschilden en verschillen evenwel enorm. Met de term “respect” was een containerbegrip geboren dat nog wel zeer herkenbare ideologische contouren had, maar dat door mensen en groepen, naargelang van wisselende omstandigheden, telkens opnieuw origineel kon worden ingevuld, waardoor het op zijn beurt ook meer kleur en inhoud gaf aan de oorspronkelijke ‘container’.
In het ideologische braakland waarin we ons in Vlaanderen momenteel bevinden, is het nu m.i. tijd voor een nieuwe synthese rond een nieuw dynamisch kernbegrip, nl. “kwaliteit”.
“Kwaliteit” is een dynamisch begrip dat zowel betrekking heeft op de vorm, de inhoud als de processen die te maken hebben met de maatschappelijke uitdagingen en de politieke realiteit. Daardoor kan het zowel richting geven aan het programma en de politieke actie als aan de mediatisering van onze boodschap. Bovendien is het, net zoals het begrip ‘respect’, een containerbegrip waarvan de contouren bepaald worden door een dynamisch ideologisch kader, maar waarvan de concrete invulling telkens op een originele manier gebeurt op maat van de politieke participant en de politieke consument.
Vanuit het traditionele ideologische referentiekader kan worden gemotiveerd dat ons politieke streven een verbetering is van de kwaliteit van het leven en het samenleven. Het diepste verlangen van de mens is het streven naar geluk. Dat veronderstelt, binnen een context van voldoende primaire materiële omkadering, zowel een optimale ontplooiing van het individu (met een zo groot mogelijke realisatie van talenten en een zo klein mogelijk remmend effect van gebreken) als een harmonische interactie met de andere, de anderen en de omgeving.
Menselijk geluk veronderstelt zelfkennis en zelfrealisatie, in het besef dat beide alleen mogelijk zijn als authentiek antwoord op het appel van de andere en van het andere. In populaire beeldspraak vertaald, wordt dat dan: de gecombineerde behoefte om lief te hebben en bemind te worden, om jezelf te verliezen in de gave aan de andere en om jezelf te vinden in de geborgenheid en de aanvaarding door die andere. Nog gevulgariseerder wordt het: “Een mens wil ten volle zichzelf zijn en stelt daarbij vast dat hij alleen gelukkig kan worden in relatie met anderen.”
Maar aangezien “kwaliteit” geen statische, maar een dynamische kwalificatie is, kan het ideologische referentiekader worden uitgebreid van een statisch, afgelijnd ‘testbeeld’ van de samenleving, naar een dynamische ‘standaard’ of ‘toetssteen’ voor alle relevante belevingsniveaus.
In plaats van alleen maar te bepalen volgens welke formele regels mensen kunnen huwen, samenwonen en scheiden, kan het discours worden opengetrokken naar de kwaliteit van menselijke relaties en de (beperkte) functie die deze formele procedures hebben op de beleving ervan.
In plaats van alleen maar te bepalen vanaf welke leeftijd mensen op brugpensioen ‘mogen’ gaan, kan de maatschappelijke scope worden verbreed naar de kwaliteit van het soort werk dat heet meest geschikt is voor 50-plussers en de waardering (het ‘respect’) dat ze ervoor krijgen van hun collega’s, hun vrienden en hun werkgever. Zo wordt niet het ‘eindpunt’ van de actieve loopbaan vooropgesteld als de ultieme levensdroom, maar wel de waardering die oudere werknemers genieten voor hun loopbaan, hun expertise en hun ervaring.
In plaats van het hele onderwijssysteem te willen hervormen onder het motto “gelijke kansen voor iedereen”, moet het perspectief worden geheroriënteerd naar de kwaliteit van een algemeen-menselijke en sociaalgerichte vorming van elke leerling, waarbij zijn of haar talenten maximaal worden gevaloriseerd en waarbij alle vormen van achterstelling, verwaarlozing of handicap op een zo efficiënt mogelijke manier worden gecompenseerd. Het volstaat namelijk niet om alle leerlingen in dezelfde materiële omstandigheden te laten starten met hun opleiding. Sommige leerlingen zullen op bepaalde vlakken (financieel, sociaal, emotioneel, (ontwikkelings)psychologisch) net méér kansen moeten krijgen dan anderen. Diezelfde leerlingen kunnen het dan weer op andere vlakken wellicht met minder begeleiding of coaching waarmaken. De kwaliteit van het opvoedingsproject bij de realisatie van het individuele traject van de leerling primeert.
In plaats van economische ontwikkeling voornamelijk te zien in termen van numerieke tewerkstelling, toegevoegde financiële waarde en rationalisering van productieprocessen, kan de christendemocratie een toegevoegde menselijke waarde als kwaliteitsnorm stellen en zich op die manier ideoligisch positioneren ten opzichte van andere doctrines.
In plaats van internationale relaties voornamelijk te beheren vanuit de traditionele structuren, instanties en machtsverhoudingen, kan een chrisendemocratische benadering meer nadruk leggen op humane emancipatie, respectvol partnerschap, parallellen tussen waardesystemen en godsdiensten, de universaliteit van het menselijke streven (de ‘ziel’) en de bevordering van authentieke sociale dialoog. Dat zijn kwalitatieve criteria die de kern van het menszijn en van de menselijke samenleving raken.
Naast de inhoudelijke, ideologische invulling van het christendemocratische programma, op basis van ‘kwaliteit’ als dynamisch kernbegrip (de voorbeelden zijn legio op elk beleidsdomein en op elk beleidsniveau), kan ‘kwaliteit’ ook als criterium worden vooropgesteld voor onze politieke actie.
Zo moeten we ‘kwaliteitscriteria’ bepalen – en ook naleven – voor onze omgang met mensen, zowel intern, binnen de eigen werking van de beweging op alle niveaus, als in onze interactie met andere politieke bewegingen, met belangenvertegenwoordigers, met partners allerhande en met het brede publiek. Deze criteria moeten ertoe bijdragen dat niet alleen via het inhoudelijke programma, maar ook via de concrete politieke actie wordt bijgedragen aan het menselijke en maatschappelijke emancipatieideaal. Dat betekent dat elke mens op elk niveau serieus wordt genomen, dat hij of zij zich gewaardeerd en gerespecteerd weet, dat hij recht heeft op eerlijke en transparante communicatie, dat hij de kans krijgt om zijn persoonlijke en originele bijdrage te leveren aan de samenleving, dat zijn talent wordt erkend en benut.
Men vraagt zich – zeker op lokaal niveau – vaak af welke de verschillen zijn tussen de aanpak van verschillende politieke partijen. Kan je een straat aanleggen op een specifiek christendemocratische, sociaaldemocratische, liberale, groene of nationalistische manier? Wellicht niet, maar de aandacht voor de kwaliteit van elke beslissing die tot de aanleg van die straat leidt, maakt wel degelijk een verschil. Gaat het om een oppervlakkige slemlaagje of om een gedegen herstelling? Werd de mening van de omwonenden gevraagd? Werd elk individueel probleem met de betrokkenen doorgenomen? Is er voldoende aandacht voor de specifieke functie van de straat in kwestie? Wat is de plaats van de zwakke weggebruiker? Werd gekozen voor duurzame materialen en werden de nodige wachtleidingen aangelegd voor toekomstige ontwikkelingen? Door het voeren van een dergelijk kwaliteitsdebat op maat van elke beleidsmaatregel, kan de christendemocratie zich inderdaad duidelijk profileren. Alleen het best mogelijke, is goed genoeg. “Best mogelijk” houdt natuurlijk ook een financieel-economische afweging in. Maar binnen de vooropgestelde marge, moeten christendemocraten steeds zoeken naar de beste kwaliteit.
Ten slotte is “kwaliteit” als dynamisch ideologisch kernbegrip ook mediatiek erg bruikbaar.
Marktkramers en reclamemakers weten dat en maken er dagelijks gebruik van. In een concurrentiële omgeving, waarin alle producten op elkaar gelijken en consumenten niet weten wat te kiezen, is het zaak om de USP te definiëren (de unique selling proposition). Je kan zo’n USP op verschillende manieren concipiëren. Zo kan je beweren de ‘goedkoopste’ te zijn, of de ‘origineelste’ of de ‘nieuwste’. Dat zijn niet meteen kwalificaties waarmee christendemocraten hun maatschappelijk project kunnen of willen aan de man brengen. Misschien moeten we ons dan maar concentreren op datgene waar we wél sterk in zijn: het bieden van kwaliteit. Mensen hebben er geen moeite mee dat van hen iets méér wordt gevraagd, op voorwaarde dat ze gegarandeerd kwaliteit krijgen… We moeten resoluut gaan voor dat “iets meer”. Kwaliteit is daarbij het sleutelbegrip om ons dynamisch en geactualiseerd maatschappelijk project te dragen.
Chris TAES
14Jul10
Dit is onze laatste rubriek van het politieke jaar 2009-2010. Het eerste jaar van My Last Five Years zit erop. Het werd voor mij een bewogen jaar met als hoogtepunt de verkiezing van Herman tot President van Europa en als dieptepunt de zware verkiezingsnederlaag van CD&V op 13 juni.
Persoonlijk zette ik mij in het Vlaams Parlement in als voorzitter van de Commissie Algemeen Beleid, Begroting en Financiën. Voor het eerst in 20 jaar werd de Vlaamse Regering geconfronteerd met een krimpbegroting. Bij de start moest de nieuwe Regering Peeters op haar budget tegen 2011 2 miljard euro besparen om terug in evenwicht te zijn en dient ze 6,1 miljard euro directe schuld weg te werken tegen 2014. De jongste jaren was men in Vlaaanderen gewoon geworden aan beleidsruimtes die toelieten de belastingen te verlagen, de welzijns -en onderwijsbudgetten fors te laten stijgen en elke minister middelen te geven om op zijn terrein nieuwe initiatieven te realiseren. Dat was dit jaar niet het geval en het verklaart waarom de Regering Peeters de” drive” miste van de vorige legislatuur. Ook in de volgende jaren zullen keuzes moeten gemaakt worden want het is een illusie te denken dat een nieuwe staatshervorming meer financiële beleidsmarge zal geven aan de deelstaten; integendeel ook de gewesten zullen moeten inleveren.
In het Vlaams Parlement wacht men met spanning op de uitkomst van de communautaire onderhandelingen en is men vol verwachting of inderdaad het zwaartepunt van de besluitvorming naar de regio’s zal gaan. Als men komt tot fiscaal confederalisme - zoals vooropgesteld door NVA - zullen wij in de Commissie Financiën in het Vlaams Parlement kunnen beslissen over o.m. de personenbelasting, de vennootschapsbelasting en de BTW en wordt de centrale overheid enkel nog gefinancieerd met dotaties. Deze Copernicaanse Omwenteling zou van mij een machtig voorzitter maken. Ik kijk ernaar uit maar ik heb zo mijn twijfels of het zo’n vaart zal lopen…
Ik lees in de pers dat CD&V’ers onderling een publiek debat aan het voeren zijn hoe hoog de lat moet liggen voor de nieuwe staatshervorming. Is Octopus een ondergrens of een toetssteen? Zoals ik maandag in dit dagboek schreef zijn wij totaal niet aan zet en wachten wij best af wat De Wever van zijn verkiezingsbeloftes ( splitsing sociale zekerheid, openbare schuld, fiscaal confederalisme) kan waarmaken in een onderhandeling met Di Rupo. Wij zullen dan zelf wel oordelen wat de ondergrens is en of hier sprake is van een Copernicaanse Omwenteling zoals gevraagd door de Vlaamse kiezer op 13 juni. We moeten duidelijk nog wennen aan onze nieuwe vrije rol.
Wij moeten het land niet meer redden en zelf de compromissen voorstellen, wel moeten we loyaal meewerken aan doorbraken naar meer Vlaamse autonomie op alle vlakken. Dat is onze bodemkoers en die lat ligt zeer hoog want anders hebben we het signaal van de Vlaamse kiezer niet begrepen.
Nog voor Wouter Beke de kans krijgt zich als interim-voorzitter waar te maken lopen sommigen zich al warm voor het CD&V- voorzitterschap want hoe moeten we anders de interviews van Hendrik Bogaert en Rik Torfs interpreteren? Vooral Torfs gebruikt zijn Woestijnvis-metier om omnipresent te zijn in de media. Dat is zijn goed recht maar hij moet dan ook niet flauw doen over zijn ambities als kandidaat-voorzitter van CD&V.
In het najaar wordt het ongetwijfeld een voorzittersverkiezing met meerdere kandidaten. In 1988 waren wij ook met 7 (” de kleine dwergen”) maar het trio Dehaene- Herman Van Rompuy- Leo Delcroix had het gezag om al die kandidaturen te doen intrekken voor Herman als eenheidskandidaat. Niemand heeft anno 2010 nog voldoende gezag om met de Blackberry één kandidatuur naar voren te schuiven. Zoals bij VLD zullen verschillende profielen hun kans wagen en dat biedt de mogelijkheid aan de leden te oordelen waar het met de partij naartoe moet . Steun vanuit het partij-establishment of de standen zou wel eens een averechts effect kunnen hebben.
De CD&V-leden zullen kiezen voor iemand die voldoende geloofwaardigheid heeft om ons opnieuw te doen winnen want in 2012 zijn het al gemeenteraadsverkiezingen en die zijn cruciaal voor CD&V.
Moet CD&V worden hersticht en hebben we nood aan een groot existentieel debat? Moeten we resoluut kiezen voor Vlaanderen en stoppen een staatsbehoudende partij te zijn ? Is het standenmodel niet definitief achterhaald? Moeten we niet de radikale keuze maken voor een centrum-rechtse volkspartij zoals de CDU-CSU? Hoe kunnen we opnieuw aansluiting vinden bij de jongere generaties en de stedelingen? Kiezen we voor een homo novus of voor iemand met ervaring die snel opnieuw vertrouwen kan wekken en de partijlijn kan doen opwegen soms tegen de Regeringsleden in?
Veel zal afhangen of we in het najaar komen tot een Regering Di Rupo-De Wever en wat de inhoudelijke uitkomst is van de regeringsonderhandelingen op communautair, sociaal-economisch en maatschappelijk vlak .Kan CD&V zich hier in vinden en wie worden de (amper) 2 CD&V- ministers die onze enige boegbeelden zullen zijn in een Belgische Regering? De nieuwe voorzitter zal moeten omgaan met deze nieuwe rol van de tweede Vlaamse partij in België en de eerste in Vlaanderen. Blijft De Wever NVA-voorzitter en heeft de nieuwe CD&V-voorzitter voldoende politieke power om een nieuwe eigen koers uit te bouwen die ons opnieuw een own-position geeft in het Vlaamse partijlandschap? Er bieden zich ongetwijfeld nieuwe mogelijkheden aan en het resultaat dat we één jaar terug haalden bij de Vlaamse verkiezingen ligt zeker terug in ons bereik. Ik geloof in de interne partijdemocratie als iedereen bereid is opnieuw een debat aan te gaan en zich neer te leggen bij de conclusies. Dat was de jongste jaren niet mogelijk omdat we veel te snel weer de oude machtspartij zijn geworden en in een zwijgcultuur zijn terechtgekomen waar de partij-organen en de parlementsfracties belangrijke beslissingen meestal op de websites van de kranten moesten vernemen.
Je ziet, beste lezer, dat dit dagboek nog steeds de ambitie heeft van BE FREE zoals bij onze start in 2005. Het worden zonder twijfel weer boeiende politieke tijden. Rendez-vous tot na het verlof en van mijn kant ook een aangename vakantie in deze hopelijk” long, hot summer”.
30Jun10
29 juni werd voor “papa” Eric en “nonkel” Eric een prachtige zomerdag om nooit te vergeten.
‘s Morgens kregen we het goede nieuws dat Heidi (nu al 16) het weer schitterend heeft gedaan op school. Haar inzet werd beloond en ze kan nu genieten van een zorgeloze en ongetwijfeld drukke vakantie.Volgende week doet ze mee aan een musicalstage en binnen twee weken staat ze opnieuw als monitrice op het speelplein. Ze gaat er iets creatiefs en leuks van maken met de kinderen als ik haar voorbereidingen zie! Vakanties zijn voor haar de drukste maanden. Dat doet mij denken aan de “long, hot summers” van onze jeugd.
De coöptatie van Peter als senator deed mij ook enorm plezier. Zijn inzet in de campagne en zijn schitterend resultaat (55.000 stemmen) werden duidelijk gewaardeerd door de bestuursleden van CD&V. Hij wordt ook geapprecieerd omwille van zijn inhoudelijk werk bij Jong CD&V en als internationaal secretaris van CD&V. Zijn weblog bewijst dat hij ideeën heeft en die ook goed kan verwoorden. Hij krijgt nu de kans om de vaandeldrager te worden van een nieuwe generatie bij CD&V.
Ik was 31 toen ik Europees Parlementslid werd en 35 wanneer ik mijn eed aflegde in de Kamer. Herman kwam in de Senaat op zijn 40ste (toen moest je 40 jaar zijn om lid te worden van de Hoge Vergadering).
Peter is pas 30 geworden en krijgt nu een hele toekomst voor zich. Als Obama-fan wens ik hem toe: “Yes, we can!”
In de kranten moest ik gisteren wel lezen dat ik in het gespin rond de coöptatie van Peter vervroegd zou stoppen als Vlaams Parlementslid. Ik kan de lezers van deze weblog en mijn kiezers de zekerheid geven dat ik Vlaams Parlementslid ben en blijf tot juni 2014. De volgende 4 jaar worden belangrijke politieke jaren en zoals u hebt kunnen merken vorige week ben ik nog niet aan ontwapenen toe, integendeel! Sommigen zullen het geweten hebben… ik voel mij in deze troebele tijden meer dan ooit BE FREE, dat wens ik ook Peter toe!